Reizen als ontwikkeling


Waarom reizen kunstenaars en cultuurwerkers zoal? Om hun horizon te verruimen, te prospecteren of inspiratie op te doen, of om te kunnen meepraten over de laatste blockbustertentoonstelling. Om te netwerken, voor uitwisseling met een lokale artistieke scene en haar specifieke manieren van werken en organiseren, kijken en spreken. Voor artistiek onderzoek, eventueel in de vorm van langdurig werken in een lokale gemeenschap.

Het opschorten van de dagelijkse routines en het ontwikkelen van een vreemde blik op jezelf, die toelaten de normale gang van zaken aan het thuisfront te bevragen, is een eerste motief voor het reizen. Echter, door mediatisering, internet, globalisering en een postmoderne levenshouding maakt die vreemde blik op onszelf deel uit van tal van alledaagse praktijken, vaak op een zelfbewuste en speelse manier.(2) Het reizen is dus geen noodzakelijke voorwaarde om een vreemde blik te cultiveren of het onvertrouwde op het spoor te komen. Wel vullen de blik van de kunstenaar en het reizen elkaar aan, zo suggereert Lucy R. Lippard“We are not who we think we are when we are elsewhere. We can even become another person entirely. Who will ever know? Traveling can be a kind of performance piece.” (3) Toch is niet meteen (of vooraf) beslisbaar wat reizen wel of niet betekenisvol maakt. Hoe ver moet je eigenlijk gaan om nieuwe horizonten te verkennen?

De belofte die uit het reizen spreekt is die van transformatie voorbij het toerisme en de vluchtige consumptie van nieuwe ervaringen. “When people move and meet all kinds of transformative encounters are indeed possible, but not guaranteed”, schrijft Taru Elfving. Precies daarin schuilt opnieuw het onbeslisbare en kwetsbare karakter van het reizen: het merendeel van de contacten tijdens het reizen zijn inderdaad vluchtig en leiden niet tot een noemenswaardige opvolging. Ontmoeting en dialoog zijn dus een belangrijk tweede motief, al laten die zich niet instrumentaliseren. Sommige contexten zijn gericht op uitwisseling of onderzoek (denk aan festivals, congressen, laboratoria, workshops, zomeracademies), maar ook daar rijst weer de vraag naar de randvoorwaarden. Zijn er voldoende tijd en ruimte, gemoedsrust en openheid voorhanden die werkelijke (al dan niet andere, onvoorziene) ontmoetingen toelaten? Die bedenking laat zich maar moeizaam rijmen met de snelheid van het reizen en het efficiëntiedenken dat ook in de kunstensector heeft postgevat.

In een gesprek over duurzaamheid werpt een programmeur op: “Ik kan niets met de pleidooien die aanmoedigen te stoppen met reizen. We leven in een geglobaliseerde wereld en dat zal nog even zo blijven. Waar we van af moeten is de goedkope mobiliteit.” De vraag naar de economische en politieke context van het reizen is terecht, maar in de uitspraak over goedkope mobiliteit weerklinken voor mij nog enkele ongemakkelijke kwesties. Hoogopgeleide cultuurwerkers en kunstenaars menen zich door de aard van hun werk al te gemakkelijk boven de vrijblijvende mobiliteit te kunnen plaatsen. Hun cultureel kapitaal en antiburgerlijkheid zijn zo een wat cynische rechtvaardiging om vooral geen privileges te moeten opgeven. Is het reizen voor kunstenaars en cultuurwerkers dan per definitie betekenisvol en dus ‘nobeler’ dan het reisgedrag van andere burgers? De opvatting van de kunstenaar of cultuurwerker die in naam van velen aan betekenisproductie doet, botst hier met sociale en ethische kwesties over ecologische rechtvaardigheid. De gevolgen van de klimaatcrisis zullen immers eerst en vooral armere regio’s in de wereld treffen. Hoe lang nog kunnen we daar de ogen voor sluiten in onze excessieve mobiliteit?

Toch is een sociologiserende kijk te eenvoudig, juist omdat hij een heldere en afstandelijke positie inneemt die ons in de dagelijkse praktijk zelden is gegeven. Kunstenaars (en bij uitbreiding cultuurwerkers) zijn tegenwoordig veldantropologen die experimenteren met de betekenissen waar een samenleving van leeft.(5) Globalisering, ecologische crisis en reizen maken zonder meer deel uit van de ingewikkelde wereld van vandaag. Het antropologisch perspectief is de vraag die de ansichtkaart stelt: hoe beeld je jezelf in dit landschap in? Wanneer is reizen echt betekenisvol? Bewustzijn van de eigen positie in relatie tot het ‘andere’ omvat dus ook een potentieel kritische benadering van de eigen praktijk en de inbedding ervan. Leidt het ‘ontwikkelingsverhaal’ waarmee we ons reisgedrag rechtvaardigen werkelijk tot andere, specifieke keuzes? Wanneer heeft dat reizen een positieve weerslag op de artistieke diversiteit en kwaliteit van het Vlaamse kunstenveld? Hoe kunnen de verhalen die we onszelf vertellen bijdragen aan nieuwe vormen van mondiaal en ecologisch burgerschap?

(2) Cf. John Urry, The Tourist Gaze. Leisure and Travel in Contemporary Societies, London/Newbury Park/New Delhi, 1990, pp. 1-15, 82-103
(3) Lucy R. Lippard, On the Beaten Track. Tourism, Art, and Place, New York, 1999, p. 5
(4) Taru Elfving, ‘Residencies & future cosmopolitics’, /re/framing the international, #1, Nov. 2017, p. 25
(5) Over de kunstenaar als veldantropoloog, zie Bart Verschaffel, De zaak van de kunst. Over kennis, kritiek en schoonheid, Gent, 2011, pp. 7-8, 37-47

Ga naar Produceren in residentie

of ga terug naar Inspiratie